HOMEPAGE | FOTO'S VAN TAMARA TOT 4 JAAR | FOTO'S VAN TAMARA VANAF 4 JAAR | FOTO'S VAN QUENTIN | GEDICHTJES VOOR TAMARA EN QUENTIN | VERHAALTJES VOOR TAMARA EN QUENTIN | LIEDJES VOOR TAMARA EN QUENTIN | WAT TAMARA EN QUENTIN LEUK VINDEN | DAGBOEK VAN TAMARA | DAGBOEK VAN TAMARA 2004-2007 | DAGBOEK VAN TAMARA 2008 | DAGBOEK VAN QUENTIN 2007 | DAGBOEK VAN QUENTIN 2008 | OVER VAN ALLES EN NOG WAT | GEDICHTEN | NAAR DE EFTELING | Dagje Laage Vuursche | BALLORIG | Quentin naar het peuterschooltje toe | GASTENBOEK | MIJN ANDERE WEBSITE'S | E-mailformulier | Nieuwsbrief en POLL | Hoe was de pappa van Quentin ? | Hoe was de mamma van Tamara ? | Foto,s van Richard en Diana

                  

TAMARA IN DE SNEEUW.

Het is kerstvakantie. Omi heeft gevraagd of Tamara bij haar komt logeren.Dat wil ze dolgraag.Haar pappa heeft haar naar de trein gebracht.,,Nu kan je verder alleen reizen,je weet waar je uit moet stappen.''

,,Ja ja ,ik weet het, zegt Tamara.,,Maar u mag niet aan de conducteur zeggen ,dat hij op me moet letten.''Haar pappa lacht maar een beetje.,,Belooft u het?'',,Nee,ik zal heus niets zeggen.''De conducteur komt kaartjes knippen.Tamara zit alleen op de bank voor drie.De wagon is lang niet vol.Ze geeft hem haar kaartje.,,Zo'n klein dametje zo alleen op reis?''vraagt hij.,,Ja conducteur,ik ga naar mijn omi.'' ,,Zo,zo let dan maar goed,dat je op tijd uitstapt.''Ze vindt het wel een aardige conducteur , die haar een dametje noemt.Wel een klein,heeft hij gezegd.Maar toch een dametje.Ze kijkt eens naar haar schoenen.Het zijn nieuwe.Mooie bruine schoenen.En ze heeft een mutsje op.Geen wonder dat hij haar een dametje vindt.Eigenlijk wil ze nooit een mutsje op (net als omi).Maar omi heeft deze muts voor haar gekocht.Omi vindt het leuk om kleertjes te kopen..,,En nu zet je hem op ook,''heeft haar mamma gezegd.,,Het is een warm mutsje.En wie weet hoe koud het wordt.''Tamara hoopt dat het gaat sneeuwen.Wat zal het Bijlmerpark dan mooi zijn.Dan gaat de trein langzamer.Nu staat hij stil.Ze is al op het balkon gegaan.Hoe krijgt ze nu die grote deuren los?Als dat niet gauw gaat,zal de trein weer doorrijden.Gelukkig,daar komt de conducteur aan.Met een vaart schuift hij de deuren voor haar open.,,Stap maar uit,juffrouwtje.'' ,,Dank u wel conducteur.'' Zou haar pappa toch gezegd hebben op haar te letten? Nu,dat kwam het maar heel goed uit.Nooit had ze die deuren kunnen openmaken.Ze staat op het perron en ze ziet omi langs de trein lopen.Ze kijkt in alle wagens.En naar alle mensen die uitstappen.Wacht ,Tamara zal haar eens verrassen.Ze gaat achter een dikke meneer lopen.En als ze omi passeren,komt ze opeens te voorschijn.,,Hallo omi.Hoe gaat het met u?'' ,,Maar kind! Waar kom je nu zo opeens vandaan? Ik zocht je overal. ''Ze neemt Tamara bij de hand.Maar die vindt dat kinderachtig.Als je alleen kunt reizen,loop je niet meer aan een handje.Ongemerkt maakt ze haar handje uit die van omi los.,,Blijf vlak bij me, kind, ''zegt omi meteen ongerust. ,,Een ongeluk is gauw gebeurd. ''En ze paktTamara weer bij de hand.De trein begint nu weer te rijden.Hij maakt vlug dat hij wegkomt.Nu is het station opeens heel stil.En het perron is weer leeg.

 

Thuis gekomen gaat omi nog gauw even naar Bakker Bart.Ze koopt krentenbollen en speculaas.En dan nog een zakje chocolaatjes.,,Vanwege de logeerpartij,''zegt ze.,,Natuurlijk,''zegt tante Brilni, ,,de kleine moet er nog van groeien.''Tamara begrijpt er niks van.Nu is ze opeens weer de kleine.Tante Brilni stopt haar een borstplaatje toe.Ze neemt zelf haar koffertje weer op.Maar omi pakt het uit haar hand.,,Kleine kinderen moeten geen zware dingen dragen,''zegt ze. ,,Daar krijgen ze een kromme rug van.'' ,,Maar ik ben niet klein ,omi.Ik zit al in de tweede klas.'' ,,Ach ja,dat vergat ik,draag jij dan maar mijn tas.''Zo gaan ze samen naar omi's huis.

 

Het is een mooi huis.Tamara loop hard naar de deur. ,,Voorzichtig,voorzichtig,''roept omi.',,De speculaas! ''Had omi nu maar niet geroepen.Nu schrikt Tamara.En ze struikelt over een dikke steen.Daar ligt ze languit.Boven  op de tas met speculaas.,,Heb je je bezeerd?''vraagt omi.Zijn je handschoentjes niet kapot?''Nee,gelukkig zijn die nog heel.Binnen is het lekker warm.,,Kom,zegt omi,we gaan gezellig zitten.Straks pakken we je koffertje wel uit.''Omi pakt de speculaas uit. ,,Geef mij de koektrommel eens aan,Tamara.Tamara weet waar de trommel staat.Nu zit omi met de zak speculaas op haar schoot.Och,och,wat erg.Alles is gebroken. ,,Wat moet ik daar nu mee? ,klaagt omi. ,,Maar omi,dat is juist fijn.Nu kunt u erg lang uitdelen. ''Omi lacht weer.,,Ja ,dat is waar,''zegt ze. ,,Nu hebben we wel tweemaal zoveel koekjes.''

 

Na het eten wil Tamara naar buiten.Omi gaat u ook mee?,,De wind is te koud en het is vroeg donker,''zegt omi. Omi steekt de kaarsjes en de lampen aan.En Tamara mag lezen in het grote vertelselboek.De volgende morgen ligt er sneeuw.Een dun laagje.De lucht is dik en zwart.Tamara wil meteen naar buiten met de slee.Maar omi zegt dat er nog niet genoeg sneeuw ligt.Het moet een dikke deken zijn.Uit de donkere wolk begint het neer te dwarrelen.Hoe kan nu een zwarte wolk zulke mooie witte vlokken geven?,,Hoe kan dat nu,omi?'' Ja ,dat weet ik ook niet.Misschien zat er regen in die wolk.En omdat de lucht zo koud is,wordt het onderweg sneeuw.Was het dan maar altijd koud.Sneeuw is veel leuker dan regen.Maar dan kwamen er geen blaadjes aan de bomen.En geen vruchten.Geen bloemetjes in de wei.Het koren zou niet kunnen groeien.,,En denk eens aan die arme vogels,''zegt omi.Ach,die vogels? Waar zijn die nu?Alleen een paar grote zwarte kraaien zitten,dik opgepoft in hun veren in de eikeboom.Alle andere houden zich schuil.De hele dag sneeuwt het.Als het middag is,houdt het op.Alles is wit,wit,wit.

Omi gaat naar het balkonnetje en hangt een paar mezenbolletjes op in het seringenboompje en ook wat zaadjes en pinda's.Omi heeft best wel veel vogeltjes die bij haar komen eten.Tamara geniet er van.

De volgende morgen is de lucht schoon.,,Ga je mee met de slee,Tamara?''vraagt omi.Omi trekt haar van alles aan.Een truitje en een vestje en haar dikke lange broek.En een wollen das om haar hals.Nu haar jasje erover.En vergeet vooral je mutsje niet.Tamara moet haar armen wijd van het lijf houden,zo dik is ze..,,Kind,je hebt je pantoffels nog aan,''roept omi...O,heden,waar zijn je laarzen?''Thuis,bij pappa en mamma.Nu,dan maar de schoenen aan.Ze is warm van het harde lopen.Ze gaan naar het Bijlmerpark.De bomen staan stil onder een last van sneeuw.Een konijntje zit te knabbelen in het veld.Hij draait zijn oren naar hun kant.En dan rent hij weg.Kijk,een eekhoorn! En nog n.Ze springen van tak op tak.De zon is vrolijk gaan schijnen.Het is al schemerig als ze weer thuis komen.Wat een lagen kleren pelt omi haar af.Helemaal dun komt ze eindelijk te voorschijn.

 

Nog een paar dagen is de wereld wit.En dan....Op een nacht raast de regen op het dak.De zon schijnt vrolijk als Tamara opstaat.Een grote plas ligt er op de weg.En alle vogels komen aanvliegen....dat is me een gekwetter en gespetter.....ze baden in de plas.Ze zetten hun veren uit.En dan klapperen ze met hun vleugels.De spreeuwen hebben het hoogste woord.Nu,dan is het maar goed,dat de sneeuw weg smelt.Als de vogels zo blij zijn.Schijn dan maar,zon.Tover de groene blaadjes aan de bomen. ,,Maar zover is het nog lang niet, zegt omi. Het is pas kerstvakantie.

 

'Als we van vakantie terugkomen , krijg je een konijn',beloofde moeder aan Pim.Een paar weken later was het zover , Sjakie deed zijn intrede in het gezin. Een klein wit pluizig bolletje met een hoge aaibaarheidsfactor. Als hij los door de kamer hupte, maakte hij van die grappige sprongen. Sjakie was een lieve speelkameraad voor Pim en goed voor zijn ontwikkeling.
Sjakie groeide als kool en toen Pim alweer een paar maanden op school zat ,was hij uitgegroeid tot een stevig konijn.Niet meer zo pluizig als vroeger en al een stuk minder speels .Hij luisterde voor geen meter.De aandacht van Pim voor Sjakie taande.Soms haalde hij zijn konijn nog wel eens uit de kooi , maar het beest kroop steeds onder de kast.Dus moest konijn maar eens voor straf een dag in zijn kooi blijven. Die ene dag werden er steeds meer.Sjakie zat eenzaam weg te kwijnen.Zijn vooraanstaande plekje centraal in de kamer moest hij inruilen voor een hoek in de schuur.
Op een dag wilde Pim voer in de kooi zetten en toen zette Sjakie uit frustratie zijn tanden in de hand van Pim. 'Het is een vals beest ',oordeelde het gezin. De dierenarts werd verzocht het af te maken,de kooi te koop aangeboden.
 
Huisdieren kunnen inderdaad goed zijn voor de ontwikkeling van een kind. Door dieren kunnen kinderen leren liefde en respect te krijgen voor de natuur.Dat je voor elk levend wezen goed moet zorgen.Dieren kunnen vrienden zijn waar je alles aan kunt vertellen, want het zijn geen klikspanen of liegbeesten..Van dieren kunnen kinderen leren dat zij non-verbale signalen uitzenden en hoe zij die moeten interpreteren. De hond kwispelt van blijdschap.
Als hij zijn tanden laat zien , moet je oppassen. Ook mensen zenden dit soort signalen uit ,ook zij fronsen wenkbrauwen.
Via dieren kunnen kinderen leren lichaamstaal te verstaan.Niet alle dieren zenden echter voor de mens duidelijke signalen uit.Aan een goudvis kan de mens moeilijk zien of hij gelukkig is.Bovendien moeten deze signalen op hun juiste waarde worden geschat.Voor een volwassen persoon is dit al moeilijk, laat staan voor een kind.
Eigenlijk kan een mens een dier alleen enigszins leren begrijpen door te proberen zich zijn leefwereld in te beelden.
Een leefwereld die voor iedere diersoort verschillend is.Dan zou een mens eerder begrijpen dat een hond het niet fijn vindt als een dreumes in zijn mand rondkruipt.
Je inleven in de ander is iets wat vooral jonge kinderen nog niet (goed) kunnen. Dieren worden vaak impulsief aangeschaft met het doel het welzijnsgevoel van de mens te verhogen.Veel minder vaak wordt gedacht aan het welzijnsgevoel van het dier.Het konijn van Pim is een dier dat van nature in groepen leeft.Als een konijn lang in eenzaamheid zit opgesloten , is het logisch dat het gefrustreerd raakt.Dat is geen afwijkend gedrag, maar volkomen normaal.
 
Via reclamefolders worden huisdieren vaak als leuke speelkameraadjes voor uw kind aangeboden.Spelen kan echter gemakkelijk omslaan in sollen. Een dier is geen speelgoed.Als een kind zijn fret aan een tuigje door de lucht rondjes leert draaien en de ouder niet ingrijpt , begrijpt het daaruit dat je met dieren naar believen kunt rotzooien.En als het doodgaat, dan kopen we toch gewoon een nieuwe.Een kind dat leert dat je dieren 'voor straf'in hun eentje opsluit, krijgt hier niet het gewenste respect mee voor de natuur. Het leert dat je heus niet altijd voor dieren hoeft te zorgen , dat je ze ook best even aan hun lot kunt overlaten.Ouders beseffen vaak bij de aanschaf van een dier niet goed dat er een grote aanspraak op hen wordt gedaan om hun kind te begeleiden.
Met een dier kun je verdriet delen , maar je kunt er ook je boosheid op afreageren. Wat doet het kind met het dier als de ouders van huis zijn om te werken ? En het wordt altijd weer opnieuw vakantie , wat doen we dan met konijnen als Sjakie ?
Een konijn kan tien jaar oud woeden. Als Pim een puber is , zou hij nog steeds kunnen leven. Dan is Pim druk met zijn huiswerk en zit achter de meiden aan. Heeft hij dan nog zin in keutels ruimen ? Dieren zijn alleen goed voor de kinderlijke ontwikkeling als ze er goed mee leren omgaan.
Ouders moeten niet de jarenlange inspanning onderschatten , die er van hen verwacht wordt als hun kind een dier krijgt.
'Het is jouw konijn , jij moet er dus voor zorgen',is voor veel kinderen te veel gevraagd. De meesten zorgen niet uit zichzelf , ze moeten dit juist via de opvoeding leren.
Ouders moeten zich realiseren dat ze misschien wel tien jaar achter hun kind moeten aanlopen om het erop te wijzen dat hun konijn vandaag nog geen eten heeft gehad , dat het hok verschoond moet worden. Kinderen moet worden bijgebracht dat je een heel dierenleven lang voor een kameraadje zorgt. Ook als het oud en moe is. Dan pas is een huisdier waardevol voor de ontwikkeling van een kind.

Over klaas vaak

Van deze kleine oude en zeer vriendelijke man wordt gezegd dat hij ergens leeft in Oostenrijk. Hij heeft daar een klein huisje met een zeer grote schuur. In deze schuur slaat hij al zijn zand op dat hij nodig heeft om mee te nemen op zijn nachtelijke reizen. Met een paar korreltjes van dit zand kan hij iemand in slaap laten vallen. Dit doet hij door de korreltjes zeer precies te mikken in het kleine putje van je ogen. Wanneer het zand hier terecht komt stuurt het een signaal naar de hersenen, die er op hun beurt voor zorgen dat je in slaap valt. Toch gebeurd het soms dat Klaas zelf een beetje van het zand in zijn eigen ogen krijgt. Hij heeft gelukkig een grote weerstand tegen de werking van dit zand. Hoe Klaas het zand deze eigenschappen kan geven is tot op dit moment nog altijd een zeer goed bewaard geheim.

 

Er was een familie van konijnen. Het bestond uit 1 moeder en 2 kleintjes.
Die kleintjes heten: Joop en Joep.
Op een dag gingen ze fruit plukken zoals bessen en appels.
Toen kwamen ze hun opa en oma tegen.
Toen vroeg Joop: wat doen jullie in het bos?
Oma zei: wij zijn bessen en appels aan het plukken.
Wij ook!? zei Joep.
Nou, zei opa, als we nou samen gaan zoeken gaat het veel sneller.
Ok, zei moeder konijn.
Toen vond Joop geen appel of een bes, maar een tand. En de tand was van een
wolf.
Nu waren Joop en Joep heel bang.
Nu kan de wolf ons niet meer opeten hoor, zei opa.
Wel hoor, zei Joop.
Waarom kan hij ons dan niet meer opeten? vroeg Joep aan opa.
Omdat de tand eruit is en dan kan hij niet meer bijten.
Dat is waar hoor, zei Joep tegen Joop.
Nou maar het kan ook een neptand zijn van een wolf, zei Joop.
Natuurlijk niet, zeiden oma en moeder konijn tegelijk.
Uuuu nou ik weet niet wie ik moet geloven hoor, zei Joop.
Ons natuurlijk, zei iedereen.
Ok maar ik blijf wel dicht bij jullie in de buurt.
Dat moet toch altijd, zei moeder konijn.
Jajaja, zeiden Joop en Joep tegelijk.
En ze leefden nog lang en gelukkig.

DE MUG DIE GEEN MUG WILDE ZIJN

Al een paar dagen zit de mug in de woonkamer bij Gijs en Roos. Zij heeft daar een warm plekje gevonden, hoog tussen de rode velours gordijnen. Heerlijke zachte gordijnen. Dat wel. Maar zij wil zo graag wat dichter bij Gijs en Roos in de buurt zitten. Niet zo eenzaam daar boven tussen de gordijnen.

Het is ochtend, acht uur. Vader Gijs en moeder Roos zitten aan de ontbijttafel. Gijs leest de krant, terwijl hij af en toe een slok van zijn thee neemt. Dan opeens"Zzzoem, zzzoem." Een mug!! "Is dat beest er nog steeds?", zegt vader Gijs boos. Hij kijkt vragend naar moeder Roos. Die antwoordt niet. Moeder Roos houdt er niet van als vader Gijs boos wordt. Zij kijkt om zich heen. Ja, warempel. Nu hoort zij het zoemen ook. "Zzzoem, zzzoem." De mug vliegt rond haar hoofd. Moeder Roos wappert met haar hand waardoor de mug bang wordt en wegvliegt. Dan zit de mug weer bij vader Gijs. "Zzzoem, zzzoem." En hij vliegt rond zijn hoofd. Vader Grijs vouwt zijn krant op tot een stevig stuk papier. Wanneer de mug op tafel vlak naast zijn bord gaat zitten, geeft vader Gijs haarPATS.een flinke mep. Tenminste. dat wilde vader Gijs. Maar hij slaat mis. Gelukkig voor die arme mug. Vader Gijs slaat zo hard dat zijn bordje in tween breekt. De mug vliegt angstig de andere kant op. Naar moeder Roos. Roos staat op, doet het raam open en even later vliegt de mug naar buiten.

Buiten lopen de kippen. Een kip zit op stok. De mug vliegt naar de kip toe, kijkt haar aan en zegt: "Zzzoem, zzzoem." De kip hipt van haar stok en gaat gergerd ergens anders zitten. De mug volgt haar. "Zzzoem, zzzoem," doet ze zachtjes en vliegt om de kip heen. "Tok, tok, tok," zegt de kip, "laat me met rust. Ga weg!" "Zzzoem, mag ik niet bij jou blijven? Zzzoem, ik ben ook al het huis uitgejaagd. Zzzoem." "Nee!" zegt de kip, "tok, tok, tok, ga weg." Nog een keer probeert de mug dicht bij de kip te komen, maar dan slaat de kip haar vleugels uit. PATS. Nog net op tijd vliegt de mug weg. Gelukkig is ze niet geraakt door de kip. 



Verdrietig vliegt ze verder. "Zzzoem, zzzoem". Kleine traantjes komen uit haar oogjes. Ze vliegt hoog over de weg heen, over het fietspad, naar de vijver. Dan, door haar traantjes heen, ziet ze beneden zich een hondje. Het rent in het park van de ene boom naar de andere. Het hondje heeft plezier en keft vrolijk. Met dat hondje wil de mug wel spelen!

Ze vliegt naar beneden en gaat op een takje zitten, laag bij de grond. "Zzzoem, zzzoem." Het hondje staat stil en zijn oren gaan recht overeind staan. "Zzzoem, zzzoem, ik ben hier," zoemt de mug. Nu ziet het hondje haar en begint hard te keffen en met zijn staartje te slaan. "Zzzoem, zzzoem, niet doen," zegt de mug, "zzzoem, ik wil met je spelen, zzzzoem je vriendje zijn, zzzoem." Een beetje angstig vliegt zij naar het hondje toe. Niet te dicht bij. Zij blijft een klein beetje op afstand en zoemt zachtjes. Zij zoemt een beetje zielig eigenlijk. Een zielig eentonig geluid. Het hondje vindt het vreselijk en keft nog harder en rent maar in het rond. "Ga weg, ga weg!" keft het hondje. 



Heel verdrietig vliegt de mug weer weg. Hl ver weg. Wanneer ze erg moe wordt van al dat vliegen gaat ze rusten op een mooie gele bloem. Uitrusten en nadenken. Ze denkt na over alles wat er vandaag is gebeurd.

"Waarom jaagt iedereen mij toch weg? Zzzoem, waarom vindt niemand mij lief? Zzzoem, zzzoem, zzzoem?" Ze gaat steeds harder zoemen. Ze is boos en verdrietig tegelijk. Ze begint huilerig te zoemen. "Zzzoem, zzzoem." Opnieuw komen traantjes uit haar oogjes. Zoveel nu dat de mooie gele bloem helemaal nat wordt.

"Mauww, wat is er met jou?" De mug had niet gemerkt dat er vlakbij de bloem een grote, rode kater lag te slapen. De mug schrikt en wil alweer wegvliegen. Maar de kater bromt: "Mauww, niet weggaan. Vertel me eerst waarom je zo verdrietig bent en hou alsjeblieft op met huilen. Mauww." Nog even huilt de mug nog wat zachtjes na. "Zzzoem, zzzoem." Dan begint de mug alles te vertellen wat er die dag gebeurd is. Van vader Gijs die haar wilde doodslaan en van moeder Roos. Van de kip die boos werd en haar ook al probeerde te slaan. En van het hondje dat alleen maar zenuwachtig van haar werd en niets met haar te maken wilde hebben. Ze probeert niet meer te huilen, maar het is wel moeilijk. "Mmm, mmm, mauww," zegt de kater, "en nu?" "En nu? Zzzoem, ik wil geen mug meer zzzijn! Iedereen heeft een hekel aan muggen. Ik ben veel liever een zzzoem, zzzoem kater zzzoals jij, zzzoem. Zzzo groot, zzzo mooi, zzzo zzzacht!"

De kater wordt er verlegen van. "Tja, mauww, tja, dat begrijp ik. Maar dat kan niet. Je bent zoals je bent. Ik een kater, mauww, jij een mug. Mauww, maar laat me even nadenken." De kater sluit zijn ogen en steekt zijn kop in de lucht. Heel lang blijft het stil. En dan: "hmm, hmm." Hij kijkt naar de mug. "Mauww, luister. Er zijn twee dingen waar je heel goed in bent. Zoemen en vliegen. Mauww, laat me zien hoe je vliegt." Vragend kijkt de mug hem aan. "Ja, vlieg maar naar me toe, mauww." De mug vliegt naar de kater, recht op hem af. "Mauww, auw, nee niet zo! Zo laat je me schrikken. Mauww, mooie bewegingen maken. Je hebt een heel mooi lijf. Mauww. Laat het dansen. Kom maar." Opnieuw vliegt de mug naar de kater. Nog wat stijfjes, maar al iets meer dansend. "Mauww, en nu zoemen. Niet dat akelige gezoem wat je gewend bent te doen, mauww, maar zachtjes en melodieus. Probeer er een vrolijk wijsje van te maken. Mauww."

De mug doet vreselijk haar best. Ze vergeet alles om zich heen. Ze krijgt er zelfs plezier in. Steeds opnieuw vliegt en zoemt ze in het rond op de aanwijzingen van de kater die zachtjes probeert mee te neurin. "Mauww, mauww." De kater moedigt haar aan en miauwt tevreden.

Na een tijdje, als de mug doodmoe is en even uitrust op de gele bloem, hoort ze stemmetjes van allerlei dieren roepen. "Ooh, wat was dat mooi!" En: "Wil je nog meer voor ons zingen en dansen?" De mug kijkt voorzichtig tussen haar vleugeltjes door naar wie dat roepen. Ze had nog niet eerder gemerkt dat er zoveel dieren op haar dansen en zoemen af waren gekomen. Ze is heel verbaasd, blij, maar ook wel heeel verlegen.

"Zzzoem, zzzoem, vinden jullie dat echt?" Ze kan haar oortjes niet geloven. "Ja, ja!" roepen de dieren, "blijf bij ons. Dan kun je voor ons dansen en muziek maken. Laten wij vriendjes worden!" De mug trilt van trots en kijkt naar de kater. Die geeft haar een knipoog. "Mauww, doe dat maar." En vanaf dat moment was de mug blij een mug te zijn. 

 

 

Het verhaal van een moedig eendje en een nieuwsgierige zwaan

In een vijver tussen het riet verscholen drijft een eendennest. Het is bijna niet te zien door de takken van de wilgenboom die naast de vijver staat. Maar door het gekwetter en gespetter wordt duidelijk dat daar een eendenfamilie woont. Een vader en moeder, met zeven jonge eendjes.

Op een dag krijgen de eendjes te horen dat ze op vakantie gaan. Voor het eerst van hun leven mogen ze verder dan de vijverplas en iedereeen is er een beetje opgewonden over, ze kunnen bijna niet wachten tot de volgende dag, want dan gaat de tocht beginnen. Als vader en moeder eend de volgende morgen het nest hebben gecontroleerd en de regels voor onderweg hebben afgesproken, is het tijdstip van vertrek dan toch echt aangebroken. Vader eend zwemt voorop, daar achter volgen de kinderen en moeder eend sluit de rij.

Zo zwemmen ze van plas tot plas tot ze aan het eind van de dag bij een groot meer komen. Aan de ene kant zijn bossen en aan de andere kant zijn hoge bergen, waar de zon nog net bovenuit komt. Iedereen is moe van de lange reis en wil het liefst een plekje zoeken in het riet om uit te rusten.

De volgende dag worden de eenden al vroeg door de zon gewekt. Uitgerust spartelen ze op het grote meer rond, doen tikkertje met elkaar en verzinnen de leukste spelletjes in en rond het riet. Zo genieten ze van elkaar en alle nieuwe dingen. Maar het allerleukste bewaren vader en moeder voor de laatste dag. Dan leert vader zijn kroost vliegen. En dat kunnen ze goed gebruiken, want de weg terug naar huis is nog lang en door terug te vliegen zijn ze er zo. Het is een drukte van belang als vader aan zijn vlieglessen begint en door al dat gedoe heeft hij niet in de gaten dat er een eendje bij is, die het allemaal niet zo leuk vindt. Het durft niet te vertellen dat het bang is om te vliegen en uit schaamte verstopt het zich tussen het riet.

En zo komt het dat vader en moeder de volgende dag zonder hem vertrekken. Hij ziet met tranen in zijn ogen zijn broers en zusjes met vader en moeder over het meer steeds kleiner worden en als ze even later opstijgen en over de hoge bergen verdwenen zijn, snikt hij het uit van verdriet. Wanhopig probeert hij opnieuw te vliegen nu hij alleen is, maar het lukt hem niet zijn vleugels te spreiden en van het water los te komen. De gedachte dat hij niet meer wordt gedragen door het water maakt hem zo bang, dat het vliegen steeds weer mislukt. Uitgeput zoekt hij savonds een plekje in het riet. Maar de slaap wil maar niet komen. Hij mist zijn familie en hij is boos op zichzelf omdat hij zo dom is geweest om niets te vertellen van zijn angst, en daar moet hij dan ook weer om huilen. Hij voelt zich ellendig en alleen.

Zo vindt een zwaan hem die toevallig langs zwemt en zich nieuwsgierig afvraagt waar al dat gesnik vandaan komt. Met haar lange hals steekt ze haar kop door het riet en vraagt aan het eendje waarom het zon verdriet heeft. En dan vertelt hij haar alles, van de vijver waar hij woont met zijn vader en moeder. Dat hij ze heel erg mist en van de vakantie met zijn broers en zusjes en van het vliegen , waar hij zo bang voor is. De zwaan luistert geduldig tot hij is uitverteld. Ze belooft dat ze bij hem zal blijven en hem de volgende dag vliegles zal geven, zodat hij kan wennen om over zijn vliegangst heen te komen. En om hem te troosten, mag hij op haar rug tussen de lange witte veren slapen. Omdat die zo zacht als dons aanvoelen is hij al gauw in een diepe slaap. 



De volgende dag straalt de zon al over het meer a ls hij wakker wordt en alles ziet er een stuk gezelliger uit. De zwaan heeft een goed idee en neemt het eendje mee een stukje de berg op. Op het droge oefent ze met hem hoe hij de vleugels kan uitslaan en als dat lukt, laat ze het eendje van een randje springen. Voor hij het weet, spreid hij zijn vleugels en vliegt naar beneden en een stukje over het water. Oei, dat was eng, maar toch niet zo erg als hij steeds had gedacht ............. Bij de volgende stap gaan ze nog een stukje verder de berg op en als ook dat goed gaat, gaan ze nog hoger, steeds een stukje verder tot ze bijna aan de top zijn. Door stapje voor stapje te oefenen, krijgt het eendje het vliegen onder de knie en er ook nog plezier in. Hij lacht nu zelfs als hij van de berg naar beneden vliegt, helemaal over het meer naar de zwaan die beneden is blijven kijken hoe het eendje zijn laatste restje angst overwint. Ook de zwaan is blij dat het gelukt is.

Dan is het moment aangebroken dat ze afscheid nemen. Nu het eendje kan vliegen, wil het eigenlijk het liefst zo snel mogelijk terug naar zijn familie. De zwaan belooft te wachten tot het eendje veilig over de hoge berg is vertrokken. Als afscheidsgroet en teken van blijdschap dat het gelukt is, cirkelt het eendje boven aan de berg nog een keer rond de top. Maar dan slaat hij zijn vleugels extra hard uit ........op weg naar huis.

Als hij boven de vijver vliegt, ziet hij zijn broers en zusjes al spelen, maar vader en moeder kan hij niet ontdekken. Maar dan opeens zien ze hem en uit het riet duiken vader en moeder tegelijk op, zo blij zijn ze dat ze hun kind weer terug zien. Het is lachen en huilen tegelijk. Als het eendje na zijn verhaal te hebben verteld, dicht tegen moedereend aankruipt, is hij blij dat het avontuur achter de rug is. Iedereen is blij dat hij terug is en dat hij bang was om te vliegen................. dat verbaast hem zelf nog het meest, dat is hij door alle belevenissen gewoon vergeten. Hij vliegt nu net zo makkelijk als alle andere eenden.

Dat hij dat lang geleden geleerd heeft op zijn eigen manier met behulp van de zwaan, dat verhaal vertelt hij nu vol trots aan zijn eigen kindertjes, voor die vliegles krijgen. En dat verhaal zal wel nooit verloren gaan, zolang er eendjes geboren blijven worden. Wat vindt jij ervan?

De winter

Hij had plaatsgenomen op de onderste tak van de grote eik en keek rond om te zien of iedereen er was. Ze waren er allemaal: de egel, de das, de beer, de eekhoorn, de marmot en de vleermuis. Verwachtingsvol keken ze omhoog, naar hem: het winterkoninkje. Hij zou gaan vertellen van de winter. De aanwezigen kenden de winter niet, want dan sliepen zij.

Nog een keer streek hij zijn veertjes glad met zijn dunne snavel. Toen begon hij. 'De win-ter', sprak hij. Hij pauzeerde even, want hij wilde ontzag inboezemen. Toen vervolgde hij: 'De winter is heel koud en duurt -' 'Hoe koud dan?' vroeg de vleermuis. Verstoord keek het winterkoninkje hem aan. 'De winter is zo koud dat het water in de vijver hard wordt.' Zo, dacht hij, daar zouden ze wel van onder de indruk zijn. 'Hoe kan water nou hard worden? Dat kan helemaal niet', protesteerde de das echter. 'Jawel, dat kan wel en dat gebeurt ook', sprak het winterkoninkje beslist. 'Het water wordt zelfs zo hard dat je erop kunt staan.' 'Daar geloof ik anders niks van', zei de das. 'Nee, ik ook niet', zei de eekhoorn. 'Nou', begon de egel, 'ik heb van de mol eens gehoord dat -'

En voor het winterkoninkje het wist, zaten alle dieren door elkaar te praten. Dat was niet wat hij voor ogen had gehad. Hij schraapte zijn keel en floot een heel harde, schrille noot. 'PFIEIET!' Dat hielp: meteen was het weer stil. 'In de winter', zei hij langzaam en duidelijk, 'wordt alles wit en -' 'Hoe kan dt nou weer?' riep de das uit. '- en dat komt door de sneeuw', vervolgde het winterkoninkje onverstoorbaar. 'Sneeuw valt uit de lucht in -' 'Doet dat geen zeer?' piepte de marmot. '- in mooie, witte vlokken en legt een deken over -' 'Wat zijn vlokken?' wilde de beer graag weten. 'Ja, dat zou ik ook wel willen weten', zei de das. '- over het gehele bos. Soms ligt de sneeuw -' 'Ik vind het maar een raar verhaal', zei de eekhoorn. 'Volgens mij bestaat die winter helemaal niet.' 'Dat denk ik ook niet', viel de vleermuis hem bij. 'Die vogel zit maar wat te verzinnen. Hij denkt zeker dat we gek zijn'.

Het winterkoninkje verhief zijn stem: 'Soms ligt de sneeuw wel een paar meter hoog!' Mopperend begonnen de dieren te vertrekken. 'Dan zie je bijna niets meer!' gilde het winterkoninkje. In kleine groepjes liepen de dieren weg. Ze waren erg teleurgesteld. 'En er is ook nog hagel!' klonk het winterkoninkje in de verte.

 

Praten

Het was een mooie dag. De egel zat op het mos in de zon, op een open plek in het bos. Lekker te niksen. Af en toe deed hij zijn ogen dicht om de zonnestralen nog beter te voelen. Wat een heerlijke dag. De egel was er vrolijk van.

Daar kwam de mol aanschuifelen.
'Ha mol!' riep de egel hem toe. 'Kom gezellig naast me zitten!'
De mol nam naast de egel plaats, maar zei niets. Zo zaten ze stil naast elkaar. De egel genoot en de mol zweeg.

Toen zei de mol: 'Egel, ik heb een probleem.'

'H jakkes', dacht de egel, 'net nu het zulk mooi weer is'.
Maar hij zei niets.
'Ik wil er graag met je over praten', vervolgde de mol en hij keek de egel vragend aan. De egel knikte maar wat, want eigenlijk had 'ie daar niet zo'n zin in. De mol dacht echter dat het betekende dat de egel het goed vond en hij begon te praten.

 

'Het zit namelijk zo', zei hij, 'ik zit nu al jaren onder de grond en zo nu en dan ...'
Terwijl de mol praatte, keek de egel om zich heen. Hij probeerde wel te luisteren, maar het was zulk mooi weer ... Door de bladeren van de bomen kon je de lucht zien. Die was helemaal blauw. De egel vond het een erg fraaie kleur. Die moest hij proberen te onthouden.

'... begrijp je natuurlijk wel dat ik ...', vervolgde de mol.
De zon toverde lichte rondjes op het mos. De egel probeerde er een patroon in te ontdekken. Maar af en toe waaide het een beetje en dan dansten die rondjes wild door elkaar.

'... kan het ook niet helpen en ...'
Het leek wel of alle dieren buiten waren. Vlak boven de beek zoemden de muggen. In de verte hoorde je de specht tikken.
En heel hoog boven hun hoofd kwetterden de roodborstjes en de vinken. Al die geluiden konden je in slaap wiegen. Maar de egel kon nu natuurlijk niet gaan slapen. Hij moest met de mol praten.

'En dat is het probleem', besloot de mol.
'Tja', zei de egel, die niet wist wat het probleem was, 'ik ben bang dat ik niets voor je kan doen.'
'O, maar dat geeft niet', zei de mol vlug, 'ik ben al heel blij dat we zo fijn hebben kunnen praten'.
En hij stond op en schuifelde opgelucht het bos weer in.


Harry de duif en het musje

Harry de duif kijkt eens voorzichtig in het rond. Hij zit hoog in een boom. Harry de duif is al een oude duif, hier en daar heeft hij al grijze veren. Langzaam kijkt Harry de duif over de stad, de gebouwen die hij al zo goed kent, de kerktorens, de hoge bomen, de flats, de lage huizen met hun tuinen.

Opeens ziet Harry de duif een musje zitten, op een takje van een kleine boom in een tuin. Harry kijkt nog eens goed en ja hoor, hij heeft het goed gezien, er zit een dikke kat klaar om het musje te vangen en op te eten. "PAS OP"!! Achter je ! Een KAT !" Harry de duif schreeuwt zo hard als hij kan maar het musje reageert niet. Het enige wat het musje hoort is " roekoe, roekoe". want mussen en duiven kunnen elkaar niet verstaan.

Er is nog maar n manier om het musje te redden. Harry laat zich als een baksteen uit de boom vallen, pas vlak boven de grond spreidt hij zijn vleugels en scheert vlak langs het musje. Het musje schrikt van de langsvliegende duif en vliegt op, net voordat de klauwen van de kat het vogeltje willen grijpen.

Tevreden met de reddingsactie gaat Harry de duif een rondje vliegen boven de stad. Hij is trots op zichzelf. Hij heeft toch maar mooi het leven gered van het musje ! Terwijl hij zo rondvliegt ziet hij opeens een glimmende pasgewassen auto staan. Blij gaat Harry er vlak boven vliegen. Harry heeft, net als bijna al de duiven een hobby. Op auto's poepen, vooral als ze mooi schoon zijn ! Harry mikt en , ja hoor, gelukt, de auto is midden op het dak geraakt.

Verder vliegt hij, over de stad. Een stukje verder is het zwembad. Het is nog leeg, de zon staat nog niet zo hoog aan de hemel. Het water klotst heen en weer, naast het zwembad is het pierenbad voor de kleine kinderen. Harry heeft het al zo warm, hij hoeft niet lang na te denken. Met een enorme plons duikt hij in het ondiepe water. Hij begint meteen te poedelen dat het een lieve lust is. "Lekker water", denkt hij nog bij zichzelf.

En dan gebeurt het. De badmeester heeft een enorme hekel aan duiven, vooral als de duiven ook nog gaan poedelen in het water van het pierenbad. De badmeester pakt zijn grote schepnet en "Pats"!! Daar is Harry de duif gevangen. De badmeester houdt hem stevig vast en bekijkt de arme Harry. "Mmmm", bromt de badmeester," een beetje oud maar wel lekker vet. Ik denk dat ik jou aan het restaurant ga verkopen." Met een gemeen lachje grinnikt hij ", morgen gebraden duif op het menu ! Ha ha ha ha"! Zo komt het dat de arme Harry in een klein kooitje zit, achter het hokje van de badmeester.

De hele dag schijnt de zon op de kooi, Harry heeft het vreselijk heet. Harry kan natuurlijk niet begrijpen wat de badmeester allemaal zat te grinniken toen hij hem gevangen had, maar Harry is toch heel erg bang voor wat er gaat gebeuren. De badmeester was hem zeker vergeten, de hele dag hoorde Harry kinderen spelen en joelen in het zwembad.

Toen het stiller werd hoorde Harry alleen nog maar de voetstappen van de badmeester. Na een tijdje gingen die ook weg. En toen werd het stil. En na een tijdje ook donker. Toen het helemaal donker was geworden en de maan helder aan de hemel scheen hoorde Harry opeens heel zacht "psst" Harry geeft geen antwoord en luistert stilletjes. Daar was het alweer. "Psst". Harry wordt een beetje bang, wie zou daar nu zijn ? "Psst, ben jij die duif die dat musje heeft gered?" "Ja, dat ben ik," zegt Harry na een poosje. "Wie ben jij "? "Ik ben dat musje", fluistert de zachte vogelstem. "Hoe kan dat nou, dat ik je nu versta, en vanmiddag niet "? vraagt Harry verbaasd.

Voordat het musje antwoord geeft weet Harry het zelf ook. Het is een oud verhaal, dat alle dieren kennen. Als de maan vol is, en als het 12 uur in de nacht is dan kunnen alle dieren met elkaar praten. Harry slaapt altijd als het donker is, hij heeft het nog nooit meegemaakt. "Wat kom je doen," vraagt Harry zacht. Hij hoort allemaal gerammel buiten aan zijn kooi. " Ik ga jou bevrijden", piept het muisje terug, jij hebt mij gered, nu ga ik jou redden." Harry weet niet zo goed wat hij moet zeggen, hij blijft maar stilletjes wachten op wat er gaat gebeuren. Even later gaat het deurtje open, die mus had het toch maar mooi voor elkaar gekregen ! Snel kruipt Harry uit het kooitje, die badmeester zal morgen niet weten wat hij ziet !

Samen vliegen ze snel naar een hoge veilige dakgoot. "Hartstikke bedankt hoor, zegt Harry de duif tegen de mus. "Ik ben blij dat ik wat terug kon doen," zegt het musje. Dan slaat de klok 1 uur. "Roekoe, roekoe," hoort het musje. "Tjilp tjilp, " hoort Harry de duif. Het is weer voorbij, ze kunnen elkaar niet meer verstaan. Met hun vleugels zwaaien ze naar elkaar als ze ieder hun eigen nest opzoeken.

De verdwenen bal

In een dierenbos aan de rand van een grote rivier wonen Beer en Kat. Beer en Kat zijn de beste vrienden en spelen elke dag met elkaar. Ook vandaag gaan ze weer spelen. "Vandaag, zegt Beer, heb ik zin om met de bal te gaan spelen. Heb jij daar ook zin in?" "Miauw, ja leuk," zei Kat. Beer ging zijn bal pakken en vertrok toen samen met Kat naar de speelweide.

Op de speelweide was het altijd heel druk met spelende dieren; ook vandaag waren er veel. Beer en Kat gingen naar een plek waar het wat rustiger was. Hier hadden ze de ruimte om fijn met de bal te spelen. Kom op, riep Beer. Ze renden over het gras en schopten de bal naar elkaar. Na wat keren heen en weer geschopt te hebben, gaf Kat de bal een harde schop. Beer kon hem niet houden en de bal viel in het water. "Nee, riep Beer, niet in het water; hoe kunnen we de bal weer terugkrijgen?"

Kat had een idee en liep naar het hol van de slang. "Slang, Slang, ben jij daar?" riep Kat. "Wie roept mij?" antwoordde de Slang, die uit zijn hol kwam. "De bal is in het water gevallen; Beer en ik kunnen er niet bij, kan jij ons helpen?" "Ik kan jullie niet helpen, ik ben geen waterslang, ik houd niet van zwemmen."
De slang vertelde dat Beer en Kat het beter bij een dier konden proberen dat wel van water hield. Beer had nog een goede vriend, de bever.


Met zijn tween renden ze naar Bever, die net bezig was een dam te bouwen. "Bever, zei Beer, kan jij ons helpen de bal te pakken?" "Sorry jongens, ik kan jullie niet helpen, het water is daar te gevaarlijk." Bever zei tegen Beer en Kat dat ze moesten proberen om de bal vanuit de lucht te pakken te krijgen. Hoe moeten we dit nu weer doen? dachten Beer en Kat. Toen hoorden ze vanuit een boom een geluid: "oehoe, oehoe." Beide keken naar boven en zagen daar de oude wijze uil zitten.

"Hoi Uil," zei Kat. En voordat Kat zijn vraag kon stellen, gaf de uil al antwoord: "Ik heb het een beetje aan zitten kijken, maar de bal zal je toch echt moeten gaan zoeken."
Beer en Kat begrepen er niks van. "Wat bedoel je?" vroeg Beer aan de uil. "In de tijd dat jullie iemand zochten om de bal uit het water te halen, is de bal door de stroming meegenomen."
Beer en Kat renden naar het water en konden nog net zien dat de bal in de verte verdween.

"Wat nu?" vroeg Beer aan Kat. Beide gingen vermoeid en verslagen bij de rivier zitten.
"Bouw een vlot," hoorden ze vanuit de rivier. "Bouw een vlot." Beer en Kat keken elkaar aan en vroegen zich af wie dit nu weer zei. Op dat moment kwam de krokodil uit de rivier gekropen. "Bouw een vlot," zei hij nogmaals.
"Maar hoe dan?" vroeg Kat, aan de krokodil.
"Als je aan Bever vraagt of hij voor wat hout wil zorgen, en als jullie voor wat touw zorgen, dan zal ik jullie helpen om een vlot te bouwen." Zo gezegd, zo gedaan, en na een tijdje werken was het vlot af.

Het leek de Krokodil een goed plan als er meerdere dieren mee gingen, het kon wel eens een gevaarlijke tocht worden. Beer en Kat vonden dat een prima idee en vroegen aan Slang, Bever en Uil of zij zin hadden om mee te gaan. Dit lieten zij zich geen tweede keer vragen en ze stapten op het vlot. "Iedereen klaar?" riep Beer. "De zoektocht naar de bal kan beginnen." Daar gingen ze dan met zijn zessen. De krokodil duwde het vlot en Uil speelde voor kapitein.

De rivier was op dat moment erg rustig en het water was zo helder, dat je de bodem kon zien. "Kijk, kijk," zei Beer, "ik zie mijzelf in het water." "Ja," zei de uil, "als het water rustig is, dan is het net een grote spiegel." De uil kon in de verte al zien dat het water wilder ging worden. "Jongens, houd jullie allemaal stevig vast. Het begint zo dadelijk aardig te schudden." Het was maar goed dat uil dit had gezegd, want het vlot begon toch te schudden. Iedereen werd een beetje bang, het was ook wel eng, varen op zon wilde rivier. "Rustig, jongens, rustig," zei Krokodil. "Ik heb jullie goed vast."
Na enkele minuten werd het water weer rustig. Kat en Slang zagen een beetje groen, ze waren zeeziek. "Zullen we even naar de kant gaan, om even bij te komen," zei Bever.

"We zijn al een aardig eind opgeschoten," zei Kat tegen Beer. "Ja, maar ik heb nog geen bal gezien," antwoordde Beer. "Het wordt ook al donker, we moeten snel opschieten." Allemaal gingen ze weer op het vlot zitten, zodat de tocht weer verder kon gaan.

Na een tijdje varen schreeuwde Beer: "wat is dit nu weer? Het lijkt wel een gigantisch meer."
"Dat, jongens," zei Uil, "dat is nu de zee."
"Beer ik ben bang, dat je de bal voorgoed kwijt bent. Ja, ik denk dat je gelijk hebt, Uil."
Je kon aan iedereen zien dat ze verdrietig waren, na zon lange tocht en dan toch geen bal gevonden. Op dat moment werd de hemel, door de ondergaande zon, rood van kleur, iedereen keek op. Beer riep: "daar, in de verte, daar is mijn bal." In de verte zagen ze inderdaad een rode bal. Deze was zo groot, dat hij de hele lucht rood kleurde. Iedereen sprong in de lucht van blijdschap. Hadden ze de bal van Beer dan toch nog gevonden?

 

 

Arme Kiki
Kiki was het hondje van Tamara. Tenminste, dat vond Tamara altijd. Mamma en pappa, hadden daar een andere mening over. Kiki was er namelijk al toen Tamara nog geboren moest worden. Maar goed, ze hielden veel van  Tamara en lieten het maar zo, later als ze groter was zouden ze haar wel eens vertellen hoe zij er echt over dachten. Maar het liep allemaal toch een beetje anders.....

Het was een gure besneeuwde avond in november toen het tijd was om Kiki nog even te laten plassen buiten. Dat moest nu eenmaal  voor zon lange nacht, zei pappa, die hem altijd s avonds uitliet. Hij had zich al uitgekleed en zn pyama aan, toen hij plotseling dacht: Oh j, ik moet Kiki nog uitlaten. Ach zei mamma, laat haar maar even alleen gaan, dat zal toch geen kwaad kunnen? Nee zei omi dat denk ik ook niet en liet Kiki door de op een kier geopende deur naar buiten.
Wat hebben ze daar achteraf spijt van gekregen!

Kiki, een klein hondje en een grappig klein staartje, dacht: h,dat is best eens lekker zo alleen naar buiten en holde naar de eerste de beste boom om te plassen.Zo, dat was gebeurd dacht Kiki  maar ik loop toch nog maar een stukje door voor ik naar huis ga.
Net toen ze de hoek om wilde gaan zag ze hem opeens lopen, die grote zwarte hond waar ze zo bang voor was. Heel stil drukte ze zich tegen de muur aan, maar dat hielp helaas niets, dat mormel had haar al lang gezien en kwam met grote sprongen en veel geblaf op Kiki af.
Kiki wist niet waar ze het zoeken moest en begon te rennen of haar leven er vanaf hing. En dat was misschien ook wel zo!  Door steeds behendig te draaien en om geparkeerde autos heen te rennen kon ze nog steeds voorkomen dat ze gegrepen werd door dat ondier.
Dat rot beest gaf maar niet op en Kiki  had zowat geen adem meer, zo vermoeid werd ze. Ze was intussen ook al een keer    over de kop gerold toen ze bijna gegrepen werd en d'r kopje ging behoorlijk zeer doen.
Waar ze was wist ze allang niet meer. Ze rende een lange weg     op met bomen en mooie huizen met tuinen. Net toen Kiki dacht: dit hou ik niet lang meer vol, zag ze in een heg een klein gaatje zitten waar ze net door kon. Floeps, dacht Kiki, zie me hier maar eens te pakken te krijgen jij lelijk mormel van een hond.
Het mormel stond te grommen voor het gat maar kon er met geen mogelijkheid door.
Eindelijk kon Kiki even gaan liggen om uit te hijgen en dat was hard nodig ook. Zolang dat beest nog in de buurt was kon ze zich niet permiteren om de ogen dicht te doen, maar gelukkig bleef haar belager niet zo lang meer, hij kon Kiki toch niet meer te pakken krijgen.
Door de pijn in haar kopje werd ze steeds slaperiger en het duurde niet lang of ze dommelde weg in een voor haar vreemde tuin

Inmiddels waren ze thuis behoorlijk ongerust geworden. Tamara en omi  waren door het harde roepen van pappa en mamma ook wakker geworden en naar beneden gegaan. Ze hadden al wel honderd keer geroepen: Kiki..... Kiki..... Kiki.... waar ben je nou? Pappa had zich aangekleed en was al een paar keer buiten wezen zoeken, maar zonder resutaat. Het huilen stond nader dan het lachen. Ze vonden het ook zo zielig zon klein hondje dat midden in de nacht op straat liep en haar huis niet  meer kon vinden
         Als Kiki de volgende ochtend nog niet thuis was, zou  
         pappa de politie bellen en vragen of alle agenten ook naar 
         Kiki wilden uitkijken.
         Tamara was ontroostbaar en zat bij omi op schoot aldoor zachtjes te huilen en om Kiki te roepen. Ook later in haar bedje lag ze nog steeds na te snikken. Was het maar vast morgen en weer licht, dan kon Kiki tenminste zien waar ze was...
 
Intussen werd Kiki weer een beetje wakker en keek verwonderd om zich heen. Waar was ze nou? Haar kopje deed zeer en langzaam wist ze zich weer te herinneren wat er s nachts allemaal gebeurd was. Angstig keek ze om zich heen of ze dat mormel nog ergens zag.... maar gelukkig.... niets te zien.
Voorzichtig keek Kiki door het gat in de heg. Waar was zenou? Ze zag niets bekends. De ramen van het huis, waar de tuin van was, waren bedekt met witte kalk. Oh, dacht Kiki die zijn in ieder geval niet thuis, dus daar heb ik niets van te vrezen. Omdat haar kopje nog steeds zeer deed en ze geen gevaar liep op dit plekje zocht ze een lekker zacht stukje grond op om nog even te slapen. Misschien werd haar zere kopje dan een beetje beter.
Toen ze weer wakker werd scheen de zon lekker op haar bolletje en voelde ze zich een stuk beter. De sneeuw was intussen verdwenen en de straat vol met mensen en kinderen. Ze had intussen wel honger gekregen en vroeg zich af hoe ze aan wat eten kon komen.
Oh,oh, die rot hond toch.... anders was ze nu lekker thuis en had ze een bak met water en misschien ook wel een lekkere bak met eten gehad van  vrouwtje die haar altijd zo verwende.
De honger werd steeds erger en er moest toch echt iets gebeuren, ze zou er toch op uit moeten.
Voorzichtig stak ze haar kopje door het gat in heg en wat ze zag stemde haar niet vrolijk. Niets, maar dan ook niets kwam haar bekend voor. Hoe moest dat nou.....
Toch maar gaan zoeken dacht onze Kiki en begon door de heg te kruipen. Wat zal ik doen? Naar links of naar rechts? Aan de linker kant zag ze wat kinderen spelen. Zou ze???
Vooruit maar, ze moest toch wat...
De kinderen waren druk bezig met rolschaatsen en hadden haar niet zo gauw in de gaten. Kiki zat op haar gemakje te kijken toen een van de meisjes haar zag zitten.
Oh, kijk eens wat een lief hondje zei ze tegen haar vriendinnen. Allemaal kwamen ze op Kiki af en dat maakten haar toch een beetje angstig. Langzaam liep ze achteruit en draaide zich toch maar om, om weg te lopen. Als het n kindje was geweest zou ze wel zijn blijven zitten, maar dit waren er teveel en ze maakten zon herrie met die schaatsen...
Dan maar verder en zien wat er gebeurd.
Gelukkig lag hier en daar nog wat sneeuw op de straat en
door daar aan te likken had ze in ieder geval geen dorst meer. Nou nog iets te eten dacht Kiki dan kan ik er tenminste weer even tegen. Na een poosje lopen kwam ze in een winkelstraat aan en nu was het natuurlijk uitkijken naar een slager. Als ze met vrouwtje boodschappen ging doen moest ze bij de slager altijd buiten blijven. Ze ging dan   een beetje zielig zitten kijken en altijd kreeg ze dan van wat aardige mensen wel een plakje worst. Het water liep haar in de bek toen ze voor de deur ging zitten.
Maar het lukte wel.... Na een tijdje had ze toch wel zoveel stukjes worst gekregen dat ze geen honger meer had.
Zo, dacht Kiki en nou maar op zoek naar huis. Ze zouden best ongerust zijn dacht ze en begon maar wat harder te lopen.
Maar hoe hard ze ook liep en hoe goed ze ook oplette, ze zag maar niets bekends.
Ze liet haar kopje naar beneden hangen, maar bleef wel doorlopen. Stil gaan zitten had ook geen zin. Zonder er erg in te hebben was zede stad uitgelopen. Toen ze weer om zich heen keek liep ze op een duinpad. Hoe was ze hier nou terecht gekomen? Zeker in gedachten gelopen. Zij  liep ook maar steeds aan huis te denken en hoe lekker warm het er daar zou zijn. Het begon ook al weer aardig donker te worden en ze was doodmoe van al dat lopen. Haar pootjes gingen behoorlijk zeer doen. Gelukkig dat haar kopje geen zeer meer deed anders was het nog erger geweest. Zij liep van de duinen het strand op en zocht een grote kuil waar ze een beetje tegen de wind beschermd was. Ze was moe en verdrietig en dacht... Ik kom nooit meer thuis.
Zij ging op het zand in de kuil liggen en viel als een blok in slaap.
Hoe lang ze gelegen had wist ze niet, maar ze had het koud en was drijfnat. Door het hoge water was de kuil vol gelopen en ze had er niets van gemerkt. Ze kroop uit de kuil en schudde zich uit. Gelukkig was het intussen weer dag geworden. Nee... dacht ze, hier heb ik ook niets te zoeken, ik ga weer de duinen in , daar is het tenminste niet zo koud en zo nat.
Toen ze een poosje gelopen had hoorde ze luid geblaf. Wat was dat?
Nieuwschierig klom ze een hoge duin op om wat beter te kunnen kijken. Ja hoor....ze had het goed gehoord.
Een eindje verder liep een mevrouw haar hondjes uit te laten. De hondjes waren niet veel groter dan haar en liepen uitbundig te spelen en te rennen.
Snel liep ze erheen, misschien wist die mevrouw wel waar ze woonde en waar haar huisje was...
De twee hondjes renden op haar af en wilden direct met haar gaan spelen, maar Kiki was zo ontzettend moe dat ze alleen nog maar wat kon kwispelen met haar staart om te laten zien hoe blij ze was.
Ook de mevrouw kwam naar haar toe en zei dat die twee een beetje rustig moesten doen omdat Kiki er zo zielig uitzag. Hallo lieverd, zei ze waar kom jij nou vandaan? Voorzichtig tilde ze haar op en aaide haar over zijn kopje.
Ze trilde van de zenuwen, of was het van de kou? De mevrouw deed haar jas open en stopte Kiki lekker onder haar jas om haar wat warmer te maken.
Wat een geluk had ze opeens om zo iemand tegen te komen die zo lief voor haar was. De andere twee hondjes sprongen tegen haar op en waren misschien een beetje jaloers. Rustig jullie... zei de vrouw laat dat beestje een beetje bijkomen.
Ze nam Kiki mee naar huis en gaf haar eerst wat te eten en te drinken. Zo, dat smaakte zeg... Ze kwam weer helemaal bij.
Zo, zei de vrouw, kom jij maar eens even bij me, wat heb jij daar voor mooie halsketting om? Aan Kiki d'r ketting zat een soort medaillon waar haar naam in stond en waar ze woonde.
Toen ging alles heel snel.... Al na een half uur stopte er een auto voor de deur. Wat een bekend geluid was dat dacht Kiki.... Ze wist het zeker, het was de auto van pappa. Nog voor de deur goed en wel open was rende Tamara al naar binnen om te kijken hoe het met Kiki ging.... Wat was ze blij, haast net zo blij als Kiki zelf. Het leek opeens wel feest. Iedereen lachte en was natuurlijk opgelucht dat alles weer goed was afgelopen en Kiki weer veilig in Tamara haar armen naar huis ging. Ik laat haar nooit meer los riep Tamara overmoedig, maar dat ging natuurlijk niet.  Alles was tenminste weer normaal. Nooit ga ik er nog een keer alleen vandoor dacht Kiki en omi die dacht.... nooit laat ik Kiki nog een keer alleen naar buiten gaan.... Ze gaat voortaan weer lekker aan de riem. s Avonds toen Tamara naar bed ging, kroop Kiki stiekem bij haar. Samen zijn ze    lief in slaap gevallen en pas laat de volgende ochtend wakker geworden. Toen ze wakker werden stond de hele familie bij het bed te glimlachen.... Ja hoor.... Kiki hoorde echt bij Tamara dat kon je wel zien, en dat vonden haar pappa en mamma  ook.

DE VERHUISMUIS

Eindelijk, het is zover! Ze gaan verhuizen. Moortje de kat is er opgewonden van. Twee grote mannen laden de verhuiswagen vol met meubels. Met open mond kijkt Moortje toe. Wat zijn die kerels sterk. Zelfs die grote, zware kast kunnen ze optillen. Kast? Dat doet hem aan iets denken. Achter die kast heeft altijd een muizenholletje gezeten. Daar heeft hij nooit bij gekund. Maar nu... Roetsj. Moortje rent naar binnen. Ja hoor, daar is de muizenwoning. Nu kan hij er wel bij. Vrolijk steekt Moortje zijn poot naar binnen. Hij voelt niks! H bah, de muis is zeker niet thuis. "We zijn klaar!" roept n van de verhuismannen. Verschrikt rent Moortje naar buiten. Ze zullen hem toch niet vergeten? Nee, gelukkig niet. Hij mag zelfs voorin zitten. Bij het vrouwtje op schoot.

De muis Pieper komt net de straat in lopen. Hij is bij zijn neefje op bezoek geweest. Hij ziet dat zijn huis leeg is. "Hoe kan dat nou?" piept Pieper. "Als er geen mensen wonen, is er geen eten in huis. En ik wil niet verhongeren. Wat nu?" Opeens ziet hij de grote verhuiswagen die langzaam de staat uit rijdt. Pieper bedenkt zich geen moment en rent er hard achteraan. Gelukkig moet de wagen voor een stoplicht stoppen. Nu kan Pieper snel achterin klimmen. Later zal ik iedereen een verhuiskaartje sturen, denkt Pieper. Maar dan zucht hij diep. Hij heeft wel honderd neefjes en nichtjes. Dat zijn een hoop kaartjes die hij moet schrijven.

De verhuiswagen stopt. Ze staan voor een mooi wit huis. Hier gaan we zeker wonen, denkt Pieper. Hij ziet het vrouwtje naar de voordeur toe lopen en de deur opendoen. Pieper rent de auto uit. Zo het huis binnen. Hij wil snel een veilig plekje opzoeken, want anders pakt de kat hem. Pieper rent het hele huis door. Maar een plaats om zich te verstoppen is er niet. En daar komt de kat aan. "Miauw," zegt die vrolijk als hij Pieper ziet. Pieper schrikt en glipt een kast in. Hier zit hij veilig. Maar voor hoe lang? Geduldig wacht Moortje voor de kast. Die muis zal toch wel een keer honger krijgen, denkt hij. En dan komt hij wel naar buiten. "Moortje, eten!" Dat is het vrouwtje die roept. Voor een ogenblik vergeet Moortje alles. Hij heeft honger gekregen door de verhuizing. In de kast haalt Pieper opgelucht adem. Op zijn teentjes sluipt hij de kast uit en naar de voordeur. Maar daar heb je die nare kat weer!



Pieper begint te rennen. Terug naar het oude huis. Een leeg huis is niet leuk, maar het is er wel veilig. Moortje haalt hem bijna in. Gelukkig weet Pieper net op tijd onder de voordeur van het oude huis te kruipen. H h, hij moet even uitblazen. Moe leunt hij tegen de muur aan. Maar wat ziet hij nou? Er staan meubels. Hier wonen weer nieuwe mensen. "Jippie!" roept Pieper blij. Hij glipt de woonkamer binnen. En wat hij dan ziet! Allemaal katten. Wel zes... nee, zeven katten. 



De katten zien hem ook. Maar Pieper is hen te snel af. Hij kruipt in het veilige muizenholletje. Daar staat nu weer een kast voor. Hij gaapt luid. Wat is hij moe geworden door die verhuizing. Eerst slapen en dan ga ik eten in de keuken halen, denkt hij. En voordat hij in slaap valt denkt hij tevreden: nu hoef ik al die honderd neefjes en nichtjes geen kaartje te sturen.


De vogels eten de kersen op
 
Die vogels, die vogels, zegt boer Jansen. Ze eten al mijn kersen op.
0, zegt Jip. Hebt u dan geen vogelverschrikker?
Ja, zegt boer Jansen, die heb ik wel. Maar de vogels zijn er niet bang voor.
Zullen wij ze wegjagen? vraagt Janneke. Goed, zegt boer Jansen. Kom maar mee.
In de boomgaard. En Jip en Janneke gaan mee.
Het is een grote boomgaard. En overal hangen de kersen. Mooi rond en rood zijn ze.
Jullie mogen zoveel eten, als je wilt, zegt de boer.
Maar pas op dat je niet te veel pijn in je buikje krijgt.
En nu maar schreeuwen. En in je handen klappen.
Jip en Janneke doen erg hun best. Ze schreeuwen van: Hei! En van ho!
En ze klappen in hun handjes. En ze gillen heel hard.
En daar zijn de vogels bang voor. Ze vliegen allemaal weg.
En de vogels denken: bah, wat een nare kinderen.
Ze maken zo'n lawaai. We kunnen niet eens rustig kersen eten.
Dat denken de vogels. En Jip en Janneke maken oorbellen van
de kersen. En ze eten wel een heel pond op, samen. En ze gillen een heel uur achter elkaar.
En dan zijn ze zo moe. En zo schor. Kom, zegt boer Jansen. Ga nu maar eens naar huis.
Nu komen er weer andere jongens om te schreeuwen.
En morgen mag je terug komen. Jip en Janneke komen thuis met een mand vol kersen. En hun buikjes helemaal vol.
Morgen gaan we weer, zeggen ze. Maar als Jip de volgende morgen opstaat, is hij zo schor.
Hij heeft helemaal geen stem meer. Hij fluistert.
En Janneke fluistert ook. Ga je mee, fluistert Jip.
Ja, fluistert Janneke. En ze gaan weer naar de boomgaard.
En ze fluisteren: Hei. En ze fluisteren: Ho...
Maar daar zijn de vogels niet bang voor. Ze vliegen niet weg.
Ze denken: Fijn, nu kunnen we kersen eten, die kindertjes doen toch niks.
En de boer zegt: Hier heb je een mandje kersen.
Ga maar naar huis. En wacht tot je stem weer goed is.
Arme Jip. Arme Janneke. Zo schor! 
Laatste wijziging op: 21-03-2008 16:52